Openingsrede Jan Bor filosoof
Openingsrede door de filosoof Jan Bor bij de tentoonstelling van Frans Nottrot en Lydia Lambrechts op zaterdag 14 april 2007
Dames en heren,
Laat ik als filosoof beginnen met een filosofische stelling. Kunst, beeldende kunst gaat over waarneming. Het zegt zwijgend dat waarneming zoveel meer is dan het ontvangen en omzetten van prikkels in bekende beelden en taal. Ik kan mijn collegae filosofen maar niet aan hun verstand peuteren dat het door hen onderschreven beginsel dat in principe alle kennis of ervaring die we hebben verwoord kan worden, als uitgangspunt gewoon fout is. Kunst laat juist zien dat er dimensies of lagen in de waarneming zitten die onbenoembaar zijn, die ontsnappen aan taal. 'Whatever can be meant, can be said'? Nee dus!
De eerlijkheid gebiedt me meteen te zeggen dat ik wel een probleempje heb om mijn stelling redelijkerwijs aan te tonen. Ik kan die onbenoembare lagen immers – per definitie – niet omschrijven. Ik kan dus niet zeggen: die en die lagen. Ze ontsnappen juist aan de taal, behoren tot het gebied waar de taal zwijgt. Ik kan er alleen maar indirect iets over zeggen. Hoe? Precies, via de kunst zelf. Dat ga ik kort aan de hand van de schilderijen die hier hangen doen.
Dan eerst iets over die van mijn vriend Frans. Even een ontboezeming. Frans en ik treffen elkaar al vele jaren aan de toog van ons stamcafé in Amsterdam; consequent ná middernacht. Vele jaren delen we wel en wee. Maar, geloof me of niet, ik had nog nooit een voet in zijn atelier gezet! En had dus nooit zijn schilderijen gezien. Des te meer was ik vorige week getroffen door de kracht en tegelijk de luciditeit ervan én de intimiteit die ze oproepen.
Het zijn voor mij geschilderde meditaties. 'Iconen' (zegt Frans zelf), vensters dus – Ik wil niet zeggen naar een andere wereld, maar wel – naar wat we doorgaans niet opmerken noch zien. Om u in herinnering te roepen: Zwart Vierkant van Kazimir Malevitsj is ook zo'n icoon; het was het eerste non-figuratieve doek dat hij schilderde. Wat Malevitsj toen overkwam verwoordde hij zo: 'Maar het gelukmakende gevoel van de bevrijdende objectloosheid trok me verder in de 'woestenij' waarin alleen de gewaarwording feitelijk is'. Zijn non-figuratieve schilderijen geven ons inderdaad toegang tot deze zuivere en taalloze gewaarwording, de 'gegenstandslose Welt' oftewel objectloze wereld die deze vormt. Voor wie niet echt kijkt en voelt is dat niets. Maar voor wie er ontvankelijk voor is, is dat 'niets' een wereld vol onuitgesproken en onuitspreekbare impressies; een stroom van kleurklanken en onbekende vormen die uit het niets opdoemen en er weer in ten onder gaan. Zo ondervinden we een dynamiek van telkens weer nieuwe en onvoorspelbare gewaarwordingindrukken. Om deze te ondergaan, moeten we wel de taal waardoorheen we gewoonlijk kijken loslaten.
Tot deze objectloze dimensie of dimensies in onze waarneming geven ook de schilderijen van Frans toegang. Je wordt via deze doeken, als je oog er maar lang genoeg op rust, in een onbekend kleuren- en lichtuniversum binnengezogen; want er gaat van deze doeken een grote zuigkracht uit. Kijk goed, en je wordt dus kleuren en kleurenlagen gewaar die je nooit eerder had gezien. Nee, het is geen bovennatuurlijke of metafysische wereld die je nu binnentreedt. In feite word je door de ogen van Frans (ik haal hem aan) 'het licht in de natuur en het ontbreken ervan' gewaar. Dat licht, alle niveaus en dimensies ervan, is in letterlijke zin een mysterie, want onuitspreekbaar. De natuur zelf blijkt een groot mysterie – nogmaals als je de ervaring weet los te koppelen van alle taal en kennis die we er gewoonlijk overheen leggen.
Nu kijk ik samen met u naar de schilderijen van Lydia. (Overigens zie ik ze vandaag ook voor het eerst echt, en baseer ik mijn impressies in eerste instantie op via internet doorgezonden afbeeldingen.) Het in het oog lopende verschil is natuurlijk dat Lydia's doeken figuratief zijn en die van Frans niet. Ze beelden verstilde landschappelijke scènes uit; of liever in de tijd gefixeerde landschappelijke momenten. Taferelen waarin de mens, ik wil niet zeggen verdwenen is, maar waarin hij wel in de natuur is opgenomen, en die zodoende bij mij een gevoel van verlatenheid, desolaatheid, eenzaamheid uitdrukken. Die eenzaamheid: is dat niet de condition humaine, onze fundamentele conditie (al willen we daar natuurlijk niet graag aan en lopen we er liever voor weg)? Daarin, zou ik zeggen, raken we aan het mysterie dat we in de grond zelf zijn, dus óók weer los van alle taal en beelden die onze geconstrueerde identiteit uitmaken. Via dat in en in onbekende dat we zijn raken we tevens aan het mysterie buiten ons en om ons heen. Deze dubbele aanraking spreekt, dunkt me, uit Lydia's schilderijen. Ze voeren ons weg van het bekende naar het onbekende van onszelf en de natuur.
Wederom, beeldende kunst opent ons oog voor al die onbekende, ongeëxploreerde, onnoembare lagen van de natuur. En deze natuurperceptie verbindt de kunst van Lydia met die van Frans. En ineens zie je de óók aanwezige non-figuratie op haar doeken en – andersom – ik wil niet zeggen het figuratieve maar wel het concrete licht dat van Frans' doeken afstraalt. In de schemering worden de kleuren als lichtklanken heel anders; ze verstillen, versimpelen, worden duisterder, leggen een sluier over de wereld en verbinden zo de beschenen objecten. De natuur zelf wordt dan abstract. Dat spel van licht en schemering, de vele diepten die zichtbaar worden, het raadsel ervan – daarover gaan de schilderijen die hier hangen. Daarover gaat inderdaad kunst.
'Es gibt allerdings Unaussprechliches. Dies zeigt sich…', schrijft de nog jonge Ludwig Wittgenstein. Ja, het toont zich in de kunst. Als u voor de aldus getoonde kleurklanken ontvankelijk bent, heb ik althans u mijn in het begin verwoorde stelling aangetoond; zij het indirect en niet op grond van een uitgesproken bewering. Toch?
Merci!
Jan Bor